Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat hebt gij haar gegeven" „Niets gegeven maar gekregen". „Wat heeft zij gegeven" — „Een naald". Waar is de naald Hans". — „In de hooiwagen". „Dom gehandeld ge moest hem aan uw mouw steken". „Ik zal het beter doen moeder".

„Waarheen Hans?" — „Naar Grietje moeder". — „Doe goed de boodschap". „Ja moeder". — „Dag Hans". Hans komt bij Grietje. — „Dag Hans". — „Dag Grietje". „Wat brengt gij". „Ik breng niets, geef mij wat". Hij krijgt een mes en steekt het in zijn mouw. „Dag Grietje". — „Dag Hans". Hij komt bij moeder. „Dag moeder". — „Dag Hans". „Waar zijt ge geweest". „Bij Grietje". „Wat hebt ge gebracht

— „Niets gebracht, wel gekregen een mes". — „Waar is het mes?" — „In mijn mouw gestoken". „Dom gehandeld, had het in den zak moeten doen". „Zal het beter doen".

„Waarheen Hans". — „Naar Grietje moeder". „Doe je boodschap goed". „Dag Plans". „Dag moeder". Hans komt bij Grietje. „Dag Grietje". — „Goedendag Hans, wat meegebracht?" „Niets gebracht, geef me wat". Grietje geeft hem een jonge geit. Hij doet hem in den zak en als hij thuis komt is hij gesmoord. „Waar zijt gij geweest Hans". „Bij Grietje". „Wat gebracht?" — „Niets gebracht, wel gekregen". vWat gekregen Hans?" „Een jonge geit".

— Waar is de geit?" „In den zak moeder". „Dom gehandeld, gij hadt het op je hoofd moeten dragen". „Zal wel beter gaan".

Sluiten