Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar naar toe Hans". — „Naar Grietje . „Wat breng je haar" „Breng niets, krijgt wat „Dag Grietje". — „Dag Hans, wat meegebracht?" „Niets geef mij wat". Grietje geeft hem een kalf. ,,Dag Grietje !" —■ „Dag Hans". Hans neemt het kalf en zet het op zijn hoofd. „Dag Hans . „Dag moeder . „Waar geweest". — „Bij Grietje". „Wat meegebracht '„Een kalf, moeder". — „Waar is het kalf". „Op mijn hoofd gezet, maar heeft mijn hoofd haast stuk gekrabt". „Je hadt het aan een touw moeten voorttrekken." Hans komt weder bij Grietje en zij wil zelf meegaan en Hans neemt een touw en trekt haar voort. Hij komt thuis en als moeder vraagt wat hij heeft meegebracht, zegt hij Grietje is meegekomen.

Waar is ze dan". „Aan een touw meegetrokken en öp stal gezet". „Dom gehandeld, gij hadt haar lieve oogjes moeten geven". Hans gaat naar den stal, steekt allen kalveren en schapen de oogen uit en smijt ze allen in Grietjes gezicht. Ze wordt woedend rukt zich los en is nooit Hans bruid geworden.

Sluiten