Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, en dus daar niet kunnende blijven, was het zijn plan, om Utrecht te bereiken. Terwijl hij den weg van Delft naar Ter Gouw opwandelde, trof hij den man aan, dien wij u hierboven beschreven hebben. Deze zat op een omgevallen boomstam, blijkbaar moede van den zwaren last, dien hij tot hier toe droeg. Hij had den jongen in de verte zien aankomen en bij zichzelf gezegd: die jongen lijkt mij. Klaaske knoopte een gesprek met den man aan en vernam het volgende van hem, dat onder veel horten en stooten uitgesproken werd.

„Ik ben een Utrechtenaar en handel in granen. Jfu ruim twee maanden geleden trok ik naar Leiden, om daar met eenige kooplieden handel te drijven, toen ik door het ongelukkig beleg binnen de stad opgesloten werd. En zie eens, hoe ik er afgekomen ben. Hoofd, wang, arm en voet zijn door pijlen verwond."

Hij moest een oogenblik ophouden, daar het spreken hem moeilijk scheen te vallen en hij telkens de hand tegen de dikke wang moest drukken.

„Gelukkig," vervolgde hij, „schoot ik er het leven niet bij in, en daar ik bloedverwanten had te Delft, begaf ik mij na de overgave der stad derwaarts, om bij hen verpleegd te kunnen worden. Dit is nu geschied, doch, gelijk gij ziet, niet zooals ik wel wenschte. Ik kon echter niet langer te Delft blijven; mijn gezin weet niet waar ik ben en hoe slecht ook ter been, wil ik toch beproeven, hoe eer hoe liever naar Utrecht te komen, om daar uit te rusten. Maar die zak is mij helaas zeer tot last, en toch kan ik dien niet achterlaten, daar hij mijn graanmonsters bevat.V

Sluiten