Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als ik u helpen kan, wil ik gaarne uw zak dragen," zeide Klaaske op goedhartigen toon. „Ik wilde ook naar Utrecht."

„Zoo," zeide de gebrekkige, „wat moet gij daar doen?" Klaaske vertelde hem in korte bewoordingen wat zijn voornemen was.

„Maar vreest gij dan niet tusschen al die krijgslieden heen te gaan?" vroeg de man, met moeite sprekende. „Gij weet immers wel, dat Graaf Willem bevolen heeft, de verschansingen te Zwammerdam en te Boskoop —• of gelijk het oudtijds heette Busch — te bezetten?"

„Dat weet ik," antwoordde Klaaske, „maar ver er af om daarvoor te vreezen, ben ik eer geneigd mijn weg daarlangs te nemen."

„Waarom?" vroeg de gebrekkige met een loerenden blik.

„Omdat juist te Boskoop de benden van Heer Filips Van Wassenaar zijn en van Floris, den broeder des graafs. Ik heb verscheidene vrienden bij die benden."

„Zoo I" zeide de gebrekkige op zalvenden toon, „dan mag ik u wel beschouwen als een, dien mij de heiligen hebben toegezonden, want daar straks overleggende welken weg ik zou inslaan, dacht ik met schrik aan de schansen. En gij hebt, zegt gij, goede vrienden onder de krijgslieden aldaar?" vervolgde hij sluw.

„Zeker, mannen op wie ik vertrouwen kan en die ons zeker helpen zullen onzen weg op een gemakkelijke wijze te kunnen voortzetten."

„Dat zou een uitkomst voor mij zijn!" sprak de gebrekkige. „Kom, laat ons dan gaan. Als wij te Utrecht in veiligheid zijn aangekomen, zal ik u mijn dankbaar-

Sluiten