Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat moge zoo zijn, Wassenaar, doch ik vertrouw op onze rechtvaardige zaak en op de kracht onzer wapenen."

„Zeer goed/' antwoordde Van Wassenaar, „doch list en overmacht doen dikwijls het grootste recht geweld aan. Ziedaar echter de voorposten, wij zullen thans spoedig in de gelegenheid zijn, ons met eigen oogen van den stand van zaken te overtuigen."

De beide Hollandsche edelen bevonden zich een kwartier later te midden der benden, die onder het bevel van Floris stonden. In het legerkamp zelf heerschte de grootste bedrijvigheid, daar men reeds verwittigd was van de nadering der bisschoppelijke krijgsmacht. Een groote bende steenslingeraars was vooruitgezonden, om den eersten aanval der bisschoppelijke ruiterij tegen te houden, en werd gevolgd door een sterke afdeeling boogschutters, die de achterhoede moest dekken, terwijl de speerdragers aan beide zijden strijdvaardig stonden, om de bestorming der schans te verhoeden.

Wassenaar en Van Teilingen traden de tent van Floris binnen. Wat daarbinnen beraadslaagd werd, kan ik niet vermelden; wel weet ik, dat de geheele krijgsraad bijeenkwam en er een hevig tooneel plaats greep. De beide edellieden vertrokken naar de meest bedreigde punten, maar Hendrik en Heinse moesten voor Floris verschijnen en een strenge straf werd over hen uitgesproken.

Gij zult u misschien verwonderen, dat zulk een lot onze twee vrienden uit het jagershuisje trof, maar bij eenig nadenken zult gij wel begrijpen, dat dit in verband stond met de komst van Klaaske en den gebrekkigen

Sluiten