Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

graanhandelaar en dat Van Wassenaar niet ten onrechte bevreesd was geweest, dat de bisschop verspieders had uitgezonden.

Klaaske was dan met den graanhandelaar in de legerplaats aangekomen, en werd hartelijk door den gullen jager ontvangen, wiens medelijden terstond opgewekt was geworden, toen de jongen hem den deerniswaardigen toestand van den Utrechtschen graankooper had medegedeeld, in welken toestand hij door het beleg der stad en van den burcht te Leiden zou gekomen zijn. Heinse meende, dat het onmogelijk was voor iemand, die zoovele wonden had bekomen, om te blijven leven, en bewonderde de zelfverloochening en liefde van den. man, die, eigen smarten vergetende, voortstrompelde, om naar de zijnen te komen. Brood en middagmaal werden door de beide jagers eerlijk gedeeld, en nog dien zelfden dag werdem zij zóó hartelijk en mededeelzaam, dat Hendrik, die gaarne praatte, alles vertelde wat hij wist. Klaaske sprak niet veel; hij was blij, dat de zware zak van zijn schouders af was en dat Heinse hem nogmaals geruststelde? over den vermeenden moord te Katwijk. Ook de graankoopman sprak niet veel; hij luisterde maar, brak nu en dan Hendriks woorden af door klachten over pijn in het hoofd, de wang, den arm en het been. Het scheen, zelfs, alsof hij niets wilde weten van hetgeen hem Hendrik vertelde, maar hoe onverschilliger hij zich betoonde, des te vuriger werd onze jager, en eer de avond om was en de gebrekkige man bij het wachtvuur scheen ingeslapen te zijn, had hij hem alles medegedeeld: hoe sterk iedere afdeeling en bende was, waar zich het zwakste

Sluiten