Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt bevond, waar de minst geoefende krijgsknechten waren en zelfs het wachtwoord, waardoor men ongehinderd de uiterste posten kon voorbijtrekken.

Hendrik en Heinse hadden dien nacht geen wacht, en toen zij den volgenden morgen ontwaakten, was de gebrekkige man nergens te vinden. Eerst dachten zij, dat hij zich ergens had te slapen gelegd, maar weldra zouden zij andere dingen vernemen. De gebrekkige graanhandelaar was de voorposten doorgegaan en had den weg ingeslagen naar IJselstein, maar zonder verbonden hoofd, zonder pleister op het oog, zonder dikke wang, verbonden arm en lammen voet. Hij zag er zoo gezond uit als een visch, die tegen den stroom inzwemt, en liep zoo deftig alsof hij een gezant was van den graaf bij den bisschop. Spoedig was het bekend, dat het dezelfde man was, die dien namiddag en avond bij de beide jagers doorgebracht en ieders medelijden opgewekt had. Hendrik en Heinse konden het nauwelijks gelooven, doch toen de eerste den man nogmaals voor den geest haalde, was het alsof hem eensklaps de schillen van de oogen vielen, en, Heinse aanziende, riep hij gramstorig, driftig, kwaad, nijdig uit:

„Nu weet ik wie hij is, dezelfde gauwdief, die kerel, die zoo doof was als een pot, — die vent, die ons verleden jaar zoo beet hadl"

,,'t Is waar ook!" riep Heinse verlegen uit. „Dezelfde man van wien gij zeidet, dat, als gij hem ooit weder onder vier oogen kreegt, hij de kracht uwer vuisten zou

ondervinden."

„Ach ja," zuchtte Hendrik. „Had ik mijn vrouw maar

Sluiten