Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan Persijn, de graaf Van der Are, Hendrik Van Rijswijk en anderen, waren in dezelfde stemming.

„Mijne heeren," zeide Van Loon, „het verblijdt mij, dat ik u allen hier met mij vereenigd zie, nu wij op onze lauweren mogen rusten. Ik denk, dat de Hollandsche leeuw zich thans stil zal houden in zijn hol, na de slagen die wij hem hebben toegebracht."

„Ik hoop het, heer graaf," sprak Van Rijswijk, „maar zijn onrustigen aard kennende, vrees ik, dat, als zijn wonden een weinig geheeld zijn, hij met nieuwen moed op ons zal losspringen."

„Dat is best mogelijk, Heer Hendrik," hernam Van Loon, „maar wij zijn op onze hoede en laten ons niet verschalken. Wat zegt gij?"

Deze vraag gold Van Loon's bondgenoot, den hertog van Limburg, een zeer ervaren krijgsman.

„Gij hebt gelijk, heer graaf," was het antwoord; „gewapend als wij zijn en van alle zijden gedekt, behoeven wij voor geen overval te vreezen."

„Dat denk ik ook niet," hernam Van Loon. „Noch Willem .ïöch zijn Kennemers zullen ons iets kunnen doen. Het is waar, wij hebben nu acht dagen geleden een klein verlies geleden, en ik betreur het zeer, dat onze beide vrienden, IJsbrand Van Haarlem en diens oom van moederszijde, Allijn, bij de laatste schermutseling door de Kennemers zijn gevangengenomen en naar Oudorp gezonden, maar ik hoop toch, dat zij spoedig tegen den broeder van Willem zullen kunnen worden ingewisseld. Willem zelf zal intusschen gevoelen, dat hij tegen ons niet is opgewassen, en het beste, wat ik hem raden kan,

Sluiten