Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overmoedigen vijand los te gaan. Met zijn gansche krijgsmacht. voornamelijk uit Zeeuwen, maar ook uit Hollanders bestaande, rukte hij voorwaarts, en voordat de roes der overwinning nog voor Van Loon voorbij is, staat hij eensklaps aan de tolbrug bij Rijswijk.

Gij kunt denken, hoe Lodewijk Van Loon te moede is, als hij dit verneemt. Aanstonds wordt er door hem krijgsraad belegd, en men komt tot het besluit, om den hertog van Limburg opdracht te geven, het leger van Graaf Willem te bespieden. Men voordacht valt de keus op hem, omdat hij een zeer bekwaam krijgsman is, wel in staat, om te beoordeelen of het vijandelijk leger te vreezen zij of niet. De hertog van Limburg aanvaardt dezen last, maar nauwelijks heeft hij Willems leger in het gezicht, of hij staat verbaasd over de talrijkheid, de voordeelige stelling en de wapening van diens benden. Hij wordt er van overtuigd, dat Van Loons mannen niet tegen zulk een krijgsmacht opgewassen zijn en begeeft zich naar den Hollandschen graaf, om hem den vrede aan te bieden. „Zeg tegen uw heer," voegde hem Graaf Willem toe, „men heeft mij verdreven, mijn vaderland verwoest, mijn vrienden gedood. Thans ben ik gekomen, om te overwinnen of te sterven."

De hertog van Limburg waagt het niet, eenige bedenkingen te maken: hij ziet aan het ernstige gelaat van den graaf, dat deze voornemens is te doen wat hij zegt, en daar hij niet twijfelt aan den goeden uitslag van Willems poging, trekt hij, na verslag te hebben gegeven van zijn wedervaren, onmiddellijk met zijn hulptroepen af, om ten minste zeker te zijn, dat hij niet in de

Sluiten