Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat's erg jammer," zei Fee. „Ik had ze zoo graag eens gezien I"

„Dan moeten we er het volgende voorjaar maar eens aan denken. Maar dit nest zit zoo hoog! In onzen tuin zit er een veel lager, al wel vijf jaar achter elkaar; dat moest je dan eens komen 'zien."

„Ja, dat zal ik vragen. Als pa en ma er dan maar weer zijn!" liet zij er met een zucht op volgen.

„Ik zal wel goed op je passen," zei Jaap.

De kinderen hadden het zoo druk gehad met elkaar over de nestjes, dat ze tante Lize niet hadden hooren aankomen. Nu stond ze in eens vlak bij hen.

„Wel," zei ze vriendelijk, „dat is zeker je vriendje Jaap, niet waar, Fee?"

Het meisje knikte.

„Geef me eens een hand, mijn jongen,." vervolgde tante Lize, terwijl zij de hand uitstak; maar Jaap kreeg een kleur, zei geen boe of ba, en stak beide handen in de broekzakken.

„Een vinkennest, tante!" riep Fee, vol verlangen, om het nestje ook aan tante Lize te laten zien. „Jaap heeft het ontdekt."

Jaap schuifelde verlegen heen en weer en zei: ,,'k Moet weg!"

„Dan zullen wij je naar het hek brengen," zei tante Lize. Toen ze daar waren, zette Jaap het terstond op een loopen.

„Hij is zoo verlegen," zei Fee; „maar ik houd toch zooveel van hem."

„Ik ook," zei tante Lize.

„Daar ben ik blij om. Ik zal het hem zeggen; dan loopt hij een volgenden keer misschien niet zoo gauw weg."

Maar Jaap liet zich in volle drie dagen niet meer op den muur zien. Toen zei Fee: „Zou Jaap ziek zijn? Zoo lang is hij nog nooit weggebleven, als het goed weer is."

„Dat konden we wel eens gaan hooren," vond tante Lize.

Ze gingen het achterste tuinhek uit, en wien zagen ze daar bij den boom staan op de hoogte van de steenen bank? Niemand anders dan onzen Jaap! Hij schrikte, maar ze waren te dicht bij, dan dat hij weg kon loopen.

Sluiten