Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jaap, ben je ziek geweest?" vroeg Fee.

Jaap kreeg een kleur.

„Neen," zei hij; „maar ik durfde niet op den muur komen, 'k Was bang, dat je niet alleen zou wezen."

„En Fee verlangde zoo naar je. Ze kon 't niet langer uithouhouden, en daarom wilden we eens aan je moeder vragetn, of je wat scheelde."

„Zeg, Jaap," zei nu Fee tegen hem, terwijl ze hem aan zijn arm stootte, „tante Lize houdt ook veel van je; ze heeft het zelf gezegd, Je hoeft voor haar toch niet bang te wezen! Kijk haar maar gerust eens aan, dan zie je 't wel, dat ze goed is. Ik houd ook veel van haar."

Jaap keek schuw op; in eens kwam er een lachje op zijn gezicht, en toen lachten zijn blauwe kijkers mee en hij zei: „Ik kom morgen weer op den muur, hoor! Je kunt er vast op rekenen."

„En ga je dan nu een eind met ons wandelen?" vroeg tante Lize, terwijl ze hem toeknikte. „Zie je," liet zij er op volgen, „ik ken den weg hier nog niet, en ik wou toch wel graag ook zien, hoe het buiten het park is."

En Jaap lachte maar door, en Fee lachte ook; want zij vond het heerlijk eens een echte wandeling te doen; zij kwam zoo zelden buiten het park.

„Komen we ook bij de beek?" vroeg Fee na een poosje. „Dan moet je eens kiskassen. Ja, doe je het? Ik zou het graag eens zien. En zou ik het ook kunnen?"

Jaaps oogen schitterden. Hij had telkens aan Fee gezegd, wat hij kon en wat zoo prettig was, en nu zou zij het ook zelf eens kunnen zien en probeeren.

Weldra kwamen ze aan de beek, en Jaap vertoonde vol ijver zijn kunsten. Fee klapte in de handjes, toen zij de platte steentjes verscheidene keeren over het water zag dansen, en toen het haar na veel vruchtelooze pogingen toch eindelijk ook zoo'n beetje gelukte, juichte zij van plezier.

„Nu moet je nog de waterratten zien," zei Jaap, toen ze verder langs de beek gingen. „Tegen den avond komen ze altijd

Sluiten