Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel, ze behoeft nooit aan het wiegetouw te trekken; daar belast mijnheer de wind zich wel mee. Bij ieder zuchtje, dat door het riet blaast, wordt het nestje zacht gewiegd. Maar komaan, nu zullen we maar weer aan wal gaan, dunkt me."

„Hè, tante, nu al?" riep Fee teleurgesteld.

„Ja. Laren zal wel geen tijd hebben, om nog langer zijn werk te verzuimen."

„Ik kan best nog een eindje oproeien, juffrouw," verklaarde Laren. „Zal ik u afzetten bij het hooge brugje?"

„Nu, heel graag dan," zei tante, en Fee was wat in haaj schik. Ze wierp nog een laatsten blik op het mooie nestje met de keurige eitjes, en toen ging het verder.

't Was een prettig tochtje, en papa en mama kregen een uitgebreid verslag er van, keurig geschreven met paarsen inkt. Fee vond dien inkt zoo mooi; maar zoo lang als ze nog kladden of spatten maakte, mocht ze hem niet gebruiken, omdat de vlekken zoo verbazend moeilijk weggemaakt konden worden. Maar omdat ze nu al twee brieven had geschreven zonder een enkele klad, mocht ze dezen keer tot belooning den paarsen inkt gebruiken.

Zoo ging de zomer om; de tijd werd heel prettig verdeeld tusschen leeren en spelen en tochtjes maken en brieven schrijven; maar toch was Fee heel blij, toen ze op zekeren morgen den grooten moerbeiboom geheel kaal zag staan en den grond er onder dicht bedekt met zijn blaren, die 's avonds te voren nog alle aan de takken zaten. Nu was de herfst er immers, en dat was al weer een heel eind dicht bij den tijd van pa's en ma's terugkomst! Het duurde niet lang meer, of alle boomen stonden, kaal; alleen enkele beuken en eiken en een paar andere schenen nog niet. van alle blaren te kunnen scheiden, ofschoon ze hun mooie groene kleur en frischheid al lang hadden verloren en hard en verschrompeld waren geworden.

De winter kwam vroeg dat jaar en duurde lang. Fee genoot er weer volop van; maar toch verlangde zij met smachtend ongeduld naar de lente.

„Reken er nu toch vooral niet op, lieve kind," zei tante

ROZEFKE. 2

Sluiten