Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lize, „dat papa en mama terugkomen, zoodra het maar een klein beetje warm is. Het kan hier in Mei en in Juni nog zoo koud zijn, en als de wind zoo schraal is, zou papa wel weer ziek kunnen worden."

„Zou pa dan pas in Juli terugkomen?" vroeg het kind, en haar anders zoo vroolijke oogjes namen een bedroefde uitdrukking aan.

„ik kan je er niets van zeggen, Fee. Papa en mama hebben er nog niets van geschreven. Als we nu eens rekenden op half Juli, zeg maar den vijftienden. Komen ze eerder, dan valt het mee."

„Hoeveel dagen is dat nog wel!" zuchtte Fee.

„Morgen begint, in den almanak ten minste, de lente. Reken nu zelf maar uit, hoeveel dagen het is. En als mijn kleine wildebras nu eens iederen dag een kwartiertje geregeld werkte aan het pas begonnen voetkussen, dan kwam dat stellig nog met gemak af voor mama's verjaardag."

„Ja, tante, dat zal ik. Help het mij maar onthouden, als ik het eens vergeet."

„Neen, zeker niet, Dit moet je heel uit je zelf doen. Ik weet zeker, dat mama 't dan veel prettiger zal vinden."

„Ja, dat is zoo. — Hoeveel dagen heeft Februari ook maar weer?" vroeg Fee na een poosje.

„De almanak ligt op de onderste plank van den boekenhanger. Kijk maar eens na."

„Och, wat dom!" riep Fee uit, toen ze den almanak in de hand had. „Februari is al voorbij." Ze rekende een poosje, en eindelijk had zij de uitkomst.

„Wat een boel d^gen nog!" zei ze zuchtend, ,,'t Valt me niets mee. Meer dan honderd! Honderd en zeventien, geloof ik!"

„Ja, dat lijkt nu heel veel zoo in 't vooruitzicht; maar je zult zien, dat het nog meevalt, vooral als je al die dagen flink bezig bent."

En 't viel mee; tante Lize wist het wel; het voetkussen vorderde flink, zoodat het wel een maand voor mama's verjaardag klaar was, en toen ze daarna weer eens telde, hoeveel

Sluiten