Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren en dames zag men bijna in 't geheel niet, en die er nog waren, liepen snel door de open rijen heen, hier en daar maar eens een blik werpende op de uitgestalde waren; zelfs de kleurige en geurige vruchten konden maar een enkele verlokken, om eens even stil te staan en een kleinen voorraad te koopen.

Onder de heeren, die zich in 't geheel niet om den regen en de kilte schenen te bekommeren, bevond zich ook Benno van Driest, die gaarne een kijkje op het marktgewoel nam, voordat hij naar zijn kantoor ging. De meeste boeren en boerinnen en verdere kooplui kenden hem, en al wisten zij ook, dat hij in den regel niets anders kocht dan een paar vruchten of een enkelen keer eens een potje bloemen, hij kreeg toch van menigeen een vriendelijk groetje, dat hij even vriendelijk beantwoordde.

Eensklaps bleef de jonge man staan bij een hondenkar, waarop een boer een paar manden met gevogelte ten verkoop aanbood. Hij keek echter niet naar de kippen, eenden en duiven, maar naar de dieren, die de kar door den killen regen hadden getrokken en nu daaronder lagen uit te rusten. Er waren drie: twee bruine honden met ruw stoppelig haar en stevig gebouwd en een van een heel andere soort. Juist die laatste trok Benno's aandacht.

Het was een wit met zwart gevlekte hond, nog al groot en met kort haar; hij was zoo mager, dat de schoftbeenderen erg uitstaken. Hij had wel wat van een Duitschen jachthond, maar daarvoor waren toch de borst en de kop te breed; alles aan hem was verwaarloosd en vuil, maar de oogen waren mooi. Die hadden, als zoovele hondenoogen, iets bijzonder roerends en droefgeestigs, en hij keek er Benno zoo trouw en smeekend mee aan, dat de jonge man, die toch veel van dieren hield, voor hij het zelf wist, zich bukte en het beest achter de ooren streek. De beide andere honden bromden even; de geliefkoosde hond kwispelstaartte en in zijn blik kwam een blijde glans.

„Jansen, hoe kom je aan dit dier?" vroeg Benno, toen hij weer overeind stond.

„Wel, mijnheer," gaf de kippenkoopman ten antwoord, „de andere trekhond had in een zeis getrapt, en toen moest onze Polio wel zijn plaats innemen. Hij doet het nu al een week of

Sluiten