Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er vlug op volgen, „ik mag wel eens zien, waar de anderen blijven. Ik ben zoo ver vooruitgeloopen. En hoe heet jij?"

„Dirk Walter. Ik ben hier gelogeerd bij mijn grootma en mijn oom en tante Van Driest."

„O, mijnheer Van Driest is een vriend van mijn oudsten broer!" nep Marietje uit. „Nu begrijp ik, hoe onze honden elkaar kennen. Je oom bracht zijn hond gisteravond mee, toen hij Willem bezocht : maar ik had hem nog niet gezien, den nieuwen hond. Hoe heet hij ?"

„Polio.'

„Hij ziet er akelig mager uit."

„Hij is ziek. Hij hoest soms ook, en hij moet een drankje innemen. Maar kun je mij den weg naar huis ook wijzen? Ben ik ver van den Amsterdamschen weg? Ik heb mijn tante weggebracht naar een villa, en toen moest ik terug; maar het leek me hier zoo mooi, en daarom ben ik dit buiten opgegaan."

„Wel, dan ben je er net aan den anderen kant weer afgekomen. Dit is de Kempenberger weg. Maar wacht even; daar komen de anderen al aan."

Ai pratende had Marietje telkens naar alle kanten uitgekeken, en nu naderden nog een paar meisjes en een paar jongens en een dame. De kinderen riepen Marietje al van verre toe en zij keken verwonderd naar Dirk. De jongens stietten elkaar nu en dan eens aan.

„Nu, zei Marietje met een afkeurenden blik op de jongens, „doe maar zoo gek niet! Dit is Dirk Walter, een neefje van mijnheer Van Driest. Hij is verdwaald; maar wij zullen hem wel thuis brengen, niet waar, nicht? Het is voor ons haast niets om, om door de Koningstraat te gaan."

Neen, we kunnen het best doen," zei de dame, die door

Marietje als nicht was aangesproken. Toen wendde zij zich tot Dirk.

„Jij bent dus een kleinzoon van mevrouw Van Driest?" vroeg zij.

Dirk knikte.

„Vertel nnj dan eens, hoe je mama het maakt. Je moet weten dat wij elkaar als jonge meisjes heel goed kenden en veel met

Sluiten