Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog een heelen tijd bleef Dirk den zieken Jan gezelschap houden; het was al heelemaal donker, toen hij wegging.

„Je zak! Je zak!" riep Jan hem achterna.

„Die is voor jou!" was het antwoord.

„En Polio dan?" Het kwam er aarzelend en min of meer benauwd uit. En 't antwoord kwam ook niet zoo vlotweg.

,,'t Was toch zoo'n mooi suikerhondje!" dacht Dirk. „En Jan rekende er niet eens op, dat hij 't houden mocht, 't Was eigenlijk mooi genoeg, dat hij, Dirk, al dat lekkers zoo maar weggaf."

Maar toen zag hij die oogen vol verlangen en die armoedige omgeving, en in eens zei hij kordaat: „Je moogt Polio ook houden!"

Jan zei niets! Hij kon niet aan zooveel geluk gelooven, en eerst toen de deur achter Dirk in 't slot viel, riep hij: „Dank je wel!" En hij zette den suikeren Polio voor zich op het hed neer en bleef er in de schemering naar turen zonder o_phouden, totdat hij eindelijk ongemerkt in slaap viel.

Hij werd niet eens wakker, toen zijn moeder kwart over zes thuiskwam en de lamp aanstak. De goede vrouw was zeer verwonderd, toen zij het hondje op zijn bed zag liggen en een grooten zak op den stoel voor het bed. Zij begreep er niets van.

Eerst een half uurtje later ontwaakte hij, en terwijl moeder^ die terstond begonnen was met het schoonmaken van het vertrek, met haar werk doorging en hem af en toe eens toeknikte, vertelde hij, dat Dirk Walter uit de stad terug was en hem een heelen tijd gezelschap gehouden had. En moeder moest natuurlijk alles weten, van tante Bertha, dat lieve mensch, en van Polio, en van dien mooien hond met een naam, dien je niet onthouden kon, en van honderd dingen meer. Moeder moest ook een borstplaatje uit den zak nemen en opeten en zoo'n ander ding, een pauline meende hij, dat Dirk gezegd had, en dan moest moeder eens heel eventjes gaan zitten, om zijn mooi suikerhondje te bewonderen,

Nu, dat deed moeder dan ook, en zij was heel bjLij, dat Jan onder al zijn praten maar een enkelen keer gehoest had.

Sluiten