Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het komt mij voor, dat gij er niet zeer mede zijt ingenomen," merkte de handelaar aan.

„Haley," zeide de heer Shelby, „ik hoop dat gij u zult herinneren, wat gij mij beloofdet, dat gij namelijk Tom niet zult verkoopen, zonder te weten in welke handen hij komt, en dat gij ook op den kleinen jongen zult letten.

„Nu, het is gebeurd, mijnheer," antwoordde de slavenhandelaar.

„Gij weet wel, dat de omstandigheden er mij toe noodzaakten" zeide Shelby eenigszins hoogmoedig.

„Wel, gij weet, dat de omstandigheden mij ook kunnen noodzaken," hernam Haley; „evenwel zal ik alles doen wat ik kan, om voor Tom eene goede plaats te vinden, en gij behoeft niet bang te wezen, dat ik Harry slecht behandelen zal. Ik mag Goddank! zeggen, dat ik nimmer wreed ben."

HOOFDSTUK III.

ONTDEKKINGEN.

Toen de heer en mevrouw Shelby dien avond in hunne slaapkamer waren, hij in een leuningstoel gezeten, om nog eenige brieven in te zien, terwijl zij voor den spiegel haar kapsel losmaakte, dat dien morgen door Elisa, haar meid, zoo smaakvol was in orde gebracht, zeide zij: „zeg eens, Arthur, wie was die ongemanierde man, die dezen middag bij je geweest is?"

„Hij heet Haley en ik had eenige zaken met hem te bespreken."

„Is hij een negerhandelaar?" vroeg zij verder, daar zij eenige verlegenheid bij haar echtgenoot bespeurde.

„Wel, lieve, hoe kom je daaraan?"

Sluiten