Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Omdat Elise schreiend en opgewonden bij mij kwam en zei dat je in gesprek waart met een slavenhandelaar en dat zij gehoord had, dat hij een bod gedaan had op haar kleinen jongen. Ik heb haar geantwoord, dat zij een malle meid was en dat zij zich noodeloos kwelde met haar onrust; ik wist natuurlijk wel, dat je niemand van ons volk wilt verkoopen en allerminst aan zoo'n kerel."

„Wel, Emilie, dat heb ik ook altijd gezegd en gemeend, maar tot mijn leedwezen moet ik bekennen, dat mijn zaken niet best staan en ik daarom een paar van mijn slaven moet verkoopen en zoo heb ik er dan in toegestemd om Tom en den kleinen Harry weg te doen."

Smart en verontwaardiging stonden op mevrouw Shelby's gelaat te lezen, toen zij uitriep:

„Hoe, onzen Tom, dien goeden, trouwen man, dien wij nog wel de vrijheid beloofden en dat lieve kind, Elises eenige troost, sedert den dood harer beide andere kinderen ? Maar waarom juist deze twee, als ge dan toch verkoopen moet?..."

„Omdat Haley voor hen veel geld wil geven; ik had Elise ook kunnen verkoopen, hij deed een hoog bod voor haar, maar ik weigerde, omdat ik wist, dat je zooveel van haar houdt; val mij dus niet hard."

„Veel goud en juweelen heb ik niet", sprak mevrouw Shelby peinzend, „maar zou dit horloge, dat bizonder kostbaar moet zijn, niet kunnen dienen, om er tenminste Elise's kind mee te redden?"

„Het spijt mij geducht Emilie," zei de heer Shelby, „het spijt mij meer dan ik zeggen kan, dat ge 't u zoo aantrekt, maar er is niets meer aan te veranderen. De koop is gesloten, ik heb de stukken geteekend en ze zijn in Haley's handen; morgen reeds wil hij zijn eigendom in bezit nemen. Ik zal morgen vroeg uitrijden, want ik kan Tom nu niet meer zien en jij moest ook uitgaan en Elise meenemen, dan gebeurt het, terwijl zij uit is."

Sluiten