Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is er geen boot of aak te krijgen om over te varen naar B.?"

„Neen, zeker niet! de booten kunnen er niet meer door."

De teleurstelling en wanhoop in Elise's blik troffen de vrouw en belangstellend vroeg zij: „Moet ge over? Is er iemand ziek? Gij ziet er zoo ongelukkig uit."

„Ik heb een kind dat in groot gevaar is," zei Elisa; „ik heb er sedert gister niet van gehoord en nu heb ik vandaag vele uren geloopen om hier te komen."

„Ja, dat treft ongelukkig," zei de vrouw. „Het spijt me zeer voor u."

„Salomo!" riep zij. Een man met een leerenschootsvel voor en zeer vuile handen verscheen aan de deur.

„Zeg, eens Sal," zei de vrouw, „gaat die man vanavond nog met de vaten over?"

„Hij zei dat hij 't probeeren zou, als 't maar eenigzins mogelijk scheen."

„Hier een eindje van daan is een man die met eenig vrachtgoed vanavond over wil, als hij durft; hij zal straks hier komen eten, dus is 't het best, dat ge gaat zitten en wacht. Wat een aardig jongske," voegde ze er bij, het kind een koekje gevend.

Maar het kind schreide van vermoeidheid.

„Arm ventje! hij heeft zoo hard moeten loopen en hij is 't niet gewoon," zei Elise.

„Wel, breng hem hier in de kamer," zei de vrouw, een klein slaapkamertje openend, waarin een zindelijk bed stond.

Elise legde het vermoeide kind er op en hield zijn handjes vast totdat het rustig sliep. Voor haar was er geen rust; als een vuur, dat in haar binnenste brandde, dreef haar de gedachte aan haar vervolger voort en met verlangende blikken keek zij naar de overzij der dreigend bruischende rivier.

Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid nemen van

Sluiten