Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

OOM TOM WORDT WEGGEVOERD.

Grauw en nevelig zag de Februari-morgen door het venster van Oom Toms hut. Hij begroette verslagen aangezichten, de afbeeldsels van bedrukte harten. De kleine tafel stond uitgeslagen bij het vuur en was met een strijkdeken bedekt; een paar grove, maar zindelijke hemden, zoo pas onder het ijzer weggekomen, hingen aan de zijde van het vuur over een stoel; een ander lag vóór Tante Chloé op de tafel uitgespreid. Met de meeste zorgvuldigheid streek zij iedere naad en plooi glad, terwijl zij nu en dan het hoofd ophief om de tranen weg te wisschen die haar langs de wangen biggelden.

Tom zat daar met den opengeslagen Bij bel op de knieën en met het hoofd op de hand gebogen, maar hij sprak geen enkel woord. Het was nog vroeg en de kinderen sliepen allen nog rustig op hunne kleine, ruwe legerstede.

Oom Tom, die geheel het zachte, voor het huiselijk leven zoo gevoelig hart bezat, dat, tot verzwaring van hun ongeluk, een hoofdkenmerk is in het karakter van zijn rampzalig ras, stond op om zwijgend zijne sluimerende kinderen aan te staren.

„Dit is de laatste maal zuchtte hij.

Tante Chloé antwoordde niet en streek steeds maar voort over het hemd, ofschoon het reeds zoo zacht was, als hare handen het konden maken. Eindelijk plaatste zij zich, na het ijzer met eene wanhopige drift neergezet te hebben, bij de tafel en „verhief hare stem en weende."

„Ik weet, dat wij ons moeten onderwerpen; doch, o Heer, hoe kan ik dat? Wist ik maar waar gij heen gingt en hoe zij u behandelen zullen! Missis zegt, dat zij u met een paar jaar zal trachten te bevrijden; maar, o Heer, niemand keert terug, die ginds naar beneden gaat. Zij

Sluiten