Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren verklaren, en gezien, hoe zij in hunne ledige uren elkander met ongehuichelden afschrik vreeselijke tooneelen uit dat „Zuiden" schilderen, dat voor hen is

„Dat onbekende land, van uit welks streken,

Geen reiziger ooit wederkeert."

Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat velen dier ongelukkigen beleden, hunne betrekkelijk zachte meesters ontloopen en er toe overgegaan te zijn om de in bijna ieder geval aan de vlucht verbonden gevaren te trotseeren, alleen door de wanhopige vrees, die de gedachte van naar het zuiden gezonden te zullen worden, bij hen opwekte, een lot, dat óf hen zei ven öf hunne echtgenooten of kinderen boven het hoofd hing. Die vrees bezielt den Afrikaan, hoe zacht, geduldig en gedwee hij anders ook zij en ontbloot van allen ondernemingsgeest, met heldhaftigen moed, en spoort hem aan om honger, koude, smart, de gevaren der wildernis en de nog vreeselijker kastijding te verduren, die hem dreigt, ingeval hij weder wordt opgevangen.

Het eenvoudige morgenmaal stond nu dampend op de tafel, want mevrouw Shelby had Tante Chloé voor dien morgen van haar werk in het groote huis ontslagen. De arme vrouw had al hare krachten aan dit afscheidsmaal besteed; zij had haar beste kip gedood en gebraden en den korenkoek met angstvallige nauwgezetheid naar haar mans smaak toebereid, en uit zekere in den schoorsteennis heimelijk verborgen potjes, eenige ingemaakte vruchten te voorschijn gehaald, die voor extra gelegenheden bewaard bleven.

„Zie, Pieter!" zeide Mozes opgetogen, „daar hebben we wat lekkers bij ons ontbijt," terwijl hij op hetzelfde oogenblik zich van een stukje van het kuiken meester maakte.

Tante Chloé gaf hem tot straf voor zijne vrijpostigheid een duchtige oorveeg.

Sluiten