Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel, Tante Chloé, gij draagt het beter dan wij," zeide eene der vrouwen, die aan hare tranen den vrijen loop had gelaten, terwijl zij de sombere kalmte bemerkte, waarmede Tante Chloé bij den wagen stond.

„Ik heb geen tranen meer," antwoordde zij, den slavenhandelaar gramstorig aanziende, die van mevrouw Shelby terugkeerde. „Ik kan niet schreien zoolang die man daar is."

„Stap in, beval Haley aan Oom Tom, terwijl hij door den hoop bedienden drong, die hem met norsche gezichten nastaarden.

Oom Tom stapte in den wagen en Haley haalde van onder de bank een paar zware kluisters te voorschijn, die hij den armen man om beide enkels sloot.

Een onderdrukt gemompel van verontwaardiging liet zich uit den kring der bedienden hooren, terwijl mevrouw Shelby Haley nog van de veranda toeriep:

„Mijnheer Haley, ik verzeker u, dat dergelijke voorzorgen overbodig zijn."

„Ik weet het niet, mevrouw," was het antwoord; „ik kan mij aan geen gevaar blootstellen."

„Wat kon men anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloé verontwaardigd, terwijl de beide knapen, die nu huns vaders bestemming schenen te begrijpen, zich hevig snikkend en schreiend aan haar kleederen vastklemden.

„Het spijt mij," zeide Oom Tom, „dat massa George nu juist van huis is."

George was namelijk een paar dagen bij een vriendje in de nabuurschap gaan doorbrengen, en daar hij vroeg in den morgen vertrokken was, voordat Oom Toms ongeluk ruchtbaar werd, had hij geen afscheid genomen.

„Groet massa George van mij," zeide hij ernstig.

Haley legde de zweep op het paard, en met een vasten, maar treurigen blik, die tot aan het laatste oogenblik op

Sluiten