Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dierbare plek gevestigd was, verdween de arme Oom Tom.

De heer Shelby was op dat oogenblik niet te huis. Hij had Oom Tom verkocht, daartoe door nijpende omstandigheden gedrongen, om zich te ontslaan van een man, wiens macht hij vreesde, en het eerste gevoel, dat na het sluiten van den koop bij hem was opgeweld, was dat van verlichting. Maar de verwijten van zijn vrouw deden zijn half sluimerend berouw ontwaken, terwijl Oom Toms onbaatzuchtige onderwerping het bittere zijner gewaarwordingen nog vermeerderde. Vruchteloos zeide hij tot zich zei ven, dat hij het volle recbt had om zoo te handelen, dat anderen het insgelijks deden, en sommigen zelfs zonder de noodzakelijkheid als verschooning te kunnen inbrengen; en om nu geen getuige van het tooneel van afscheid te moeten wezen, had hij een klein tochtje overzijne landerijen ondernomen, hopende, dat bij zijn terugkomst alles zou zijn afgeloopen.

Oom Tom en Haley rammelden voort over den stoffigen weg, terwijl de eerste zich bij ieder hem zoo wel bekend plekje omwendde, totdat eindelijk de grenzen van Shelby's bezittingen overschreden waren en zij zich op eene open vlakte bevonden. Na een uur rijdens hield Haley plotseling stil voor de deur van een smederij, en ging die binnen met een paar boeien, om ze een weinig te laten veranderen.

„Ze zijn iets te nauw voor hem," zeide Haley, eerst de kluisters toonende en vervolgens op Oom Toms forsche gestalte wijzende.

„Heer, bewaar ons, is dat niet Shelby's Tom? Hij heeft hem toch niet verkocht?" vroeg de smid.

„Ja, zeker heeft hij hem verkocht," antwoordde Haley.

„Dat kan toch niet waar zijn! Wie zou dat ooit gedacht hebben," hernam de smid. „Maar gij behoeft hem niet te boeien inderdaad niet. Hij is het trouwste schepsel van de wereld."

„Ja, ja," zeide Haley; „maar het zijn juist die goeden, van wie men vreezen moet, dat zij zullen wegloopen. Die

Sluiten