Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben," hernam George. „Ik schaam er mij nu voor, dat ik uit Kentucky afkomstig ben. Vroeger was ik daar altijd trotsch op," vervolgde hij, terwijl hij op zijn paard sprong en met een blik in het rond zag, alsof hij verwachtte, dat hij een sterken indruk had gemaakt.

„Nu, vaarwel Oom Tom, laat den moed niet zakken!"

„Vaarwel, jongeheer George," antwoordde Oom Tom, hem vol teederheid en bewondering aanziende; „de goede God zegene u! O, er zijn niet velen zooals gij in Kentucky," riep hij uit, tot in zijn binnenste aangedaan terwijl het open kinderlijk gelaat van den knaap uit zijn oogen verdween. George rende voort, en Oom Tom staarde hem na, tot dat eindelijk het laatste geluid der paardenhoeven weggestorven was. Maar op zijn borst scheen het warm te worden — daar namelijk, waar die jeugdige handen den kostbaren dollar hadden omgehangen. Oom Tom nam hem tusschen zijne vingers en drukte hem in vervoering aan zijn hart.

„Nu Tom," zeide Haley, nadat hij op den wagen geklommen was, „je moet weten, dat ik ver met je wegreis, gelijk ik gewoonlijk met mijn negers doe, en ik zeg je, dat ik je goed behandelen zal, indien je je wel gedraagt, want ik ben nooit hard tegen mijn negers. Ik bereken altijd wat het beste voor hen is. Dus zie je, dat je verstandig doet als je bedaard blijft en geen streken begint, want ik ken al de kunsten van negers en ben er op bedacht. Als de negers zich rustig houden en niet trachten te ontvluchten, dan hebben zij het goed bij mij; doch zoo niet, dan is het hun eigen schuld en niet de mijne."

Oom Tom verzekerde Haley, dat hij volstrekt niet voornemens was te ontvluchten; maar de vermaning scheen inderdaad overbodig te zijn tegen een man met zulke zware boeien aan de voeten. Maar Haley had de gewoonte aangenomen, door zulke kleine vermaningen de kennismaking met zijne slaven te beginnen, daar hij die zeer

Sluiten