Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot hun getal behoorde ook een nog jeugdig heer van aanzien en vermogen, met name St. Clare en te NewOrleans woonachtig. Hij had een dochtertje van omstreeks vijf of zes jaren bij zich, benevens nog een andere dame, die een bloedverwante van beiden was en hoofdzakelijk met de zorg voor het kleine meisje belast scheen te zijn.

Oom Tom had nu en dan een vluchtigen blik op het kind geworpen, want zij was een van die woelige, levendige schepseltjes, die men evenmin kan opsluiten als een zonnestraal of een zomerkoeltje; maar zij was tevens een dier wezens, wier trekken men niet gemakkelijk vergeet, na die eens gezien te hebben.

Haar gestalte was van een volmaakte kinderlijke schoonheid, zonder iets van de gewone plompheid die kinderen soms hebben. Alles aan haar droeg het kenmerk van bevalligheid. Haar gelaat was opmerkelijk, minder om de volmaakte schoonheid der trekken, dan om de bizondere, peinzende uitdrukking, welke een ieder verbaasd deed staan die haar zag, zoodat zelfs de oppervlakkigste zich getroffen gevoelde, zonder eigenlijk te weten waardoor. De vorm van haar hoofd en hals, waar de lange goudbruine lokken als een dichten sluier omheen golfden — de diepe ernst van haar blauw oog, door lange wimpers overschaduwd — alles onderscheidde haar van andere kinderen en deed ieder naar haar kijken, terwijl zij van de eene zijde der boot naar de andere trippelde. Intusschen kon men het meisje geen ernstig of treurig kind noemen; veeleer scheen een luchtige en schuldelooze vroolijkheid gelijk de schaduw van zomertwijgjes over haar kinderlijk gelaat en om haar luchtige gestalte te zweven. Zij was altijd in beweging, had altijd een glimlach om haar rozigen mond, en fladderde her- en derwaarts op de boot, terwijl zij 't een of ander liedje hooren deed. Haar vader en de dame volgden haar bestendig op den voet, maar nauwelijks hadden zij haar gevangen, of

Sluiten