Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betaalt," fluisterde Eva zacht, terwijl zij op de pakgoederen klom en haar arm om haars vaders hals sloeg. „Ik weet immers wel, dat gij geld genoeg hebt, en ik wou Tom graag hebben."

„Waarvoor, poesje? Wilt gij hem als hansworst of als een stokpaardje of zoo iets gebruiken?"

„Neen, ik wil hem gelukkig maken."

„Een zonderlinge gedachte!"

Hier overhandigde de slavenhandelaar het door den heer Shelby onderteekende getuigschrift, dat de jonge man met de toppen zijner vingers aanvatte en vervolgens achteloos doorliep.

„Een voorname hand," zeide hij, „en een goede spelling ook. Alles goed en wel, maar van zijn godsvrucht ben ik nog niet verzekerd," vervolgde hij, terwijl de vroegere schalksche uitdrukking in zijne oogen terugkeerde. „Hoe veel honderd dollars hebt gij voor zijn godsdienst opgeschreven?"

„Gij houdt van gekscheren, mijnheer," zeide de slavenhandelaar; „maar daar is toch veel gezond verstand in, dat moet ik bekennen. Ik weet, dat er onderscheid tusschen godsdienstigen en godvruchtigen is, bij velen beteekent het niet veel, of zij de samenkomsten bijwonen, en deelnemen aan het gezang met alle kracht van hun stemmen, hetzij ze zwarten of blanken zijn; doch op dezen hier kunt gij vertrouwen, en ik heb het, meer dan iemand, bij negers gezien, dat zij zacht, bedaard, standvastig, eerlijk en goed zijn, en dat de geheele wereld hen niet kon verleiden om iets te doen wat niet goed is in hun oogen, en gij leest in dezen brief hoe Toms vroegere meester over hem denkt."

„Zie daar," zeide de jonge man, die intusschen een rolletje bankpapier te voorschijn had gehaald, tel uw geld, oude jongen!"

„Volkomen in orde," zeide Haley, terwijl zijn gelaat van genoegen schitterde, en hij vervolgens een ouden inkt-

Sluiten