Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uw besten hoed, — dat zijn twee; — het zakje van guttapercha is drie, en mijn lint en naaldenkoker zijn vier en mijn werkdoosje is vijf en mijn kragendoos is zes, en die kleine kapdoos is zeven. Wat hebt gij toch met uw parasol gedaan? Geef me die, ik zal ze in papier rollen en bij mijn parapluie samenbinden; — zie zoo!"

„Maar tantelief, waarvoor dient dat, wij zijn immers dicht bij huis?"

„Om alles zindelijk te houden, kind; men moet zorg dragen voor zijn goed, wil men 't niet kwijtraken, hebt gij uw vingerhoed weggeborgen?"

„Waarlijk, tante, ik weet het niet."

„Nu, het kan niet schelen; ik zal uw doos nazien; vingerhoed, was, schaar, mes, borduurnaald, alles goed; — berg het hier in! Wat deedt gij toch wel mijn kind, toen gij nog alleen bij uw vader waart? Mij dunkt, gij moest alles verliezen wat gij hadt."

„Ja, tante, ik verloor veel; maar papa kocht mij altijd veel meer terug."

„Lieve hemel, kind, wat een manier van doen!"

„Een zeer gemakkelijke, tante," zeide Eva.

,.En een vreeselijk achtelooze tevens," antwoordde de tante.

„Wel tante, wat wilt gij nu doen?" zeide Eva. „Die koffer is veel te vol om gesloten te kunnen worden."

„Hij moet gesloten worden," zeide juffrouw Ophelia op den toon van een bevelhebber, terwijl zij het deksel naar beneden drukte en er boven op sprong; toch bleef er nog een kier.

„Ga daar zitten, Eva," zeide juffrouw Ophelia moedig; „wat eens kon, kan weêr. Die koffer moet dicht, daar is geen helpen aan."

En inderdaad, de koffer gaf na deze stellige verzekering toe. Het ijzer sprong met een scherp geluid in de daarvoor passende opening, juffrouw Ophelia draaide

Sluiten