Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, massa, het ziet er hier alles overheerlijk uit," was het antwoord van den neger.

Dit alles geschiedde in een enkel oogenhlik, terwijl de koffers werden afgeladen, de voerman zijn betaling ontving en een menigte menschen, mannen, vrouwen en kinderen op de bovenste zoowel als op de benedenste galerij verschenen om massa te zien terugkeeren. Aan hun hoofd stond een fraai gekleede, jonge mulat, blijkbaar een gewichtig persoon, die naar den allerlaatsten smaak was gekleed en bevallig met een welriekenden zakdoek van Indische zijde wuifde.

Deze persoon had zich alle moeite gegeven om de overige bedienden naar het andere einde der veranda terug te drijven.

„Terug gij allen! ik moet mij voor je schamen!" riep hij op een toon van gezag. „Wil je reeds in het eerste uur van zijn terugkomst je in je meesters zaken dringen?"

Allen schenen beschaamd bij deze hoogdravende woorden, die met veel deftigheid werden uitgesproken, en op eerbiedigen afstand stonden zij op elkaar gedrongen, uitgenomen twee forsche negers, die de bagage begonnen weg te brengen.

Ten gevolge van de door meester Adolf gegeven bevelen was er, toen St. Clare uit het rijtuig stapte, niemand zichtbaar dan zijn zwierige persoon, sierlijk uitgedost met satijnen vest, gouden ketting en witten pantalon, en buigende met veel bevalligheid en losheid van manieren.

„Zoo, Adolf, zijt gij daar!" riep zijn meester hem toe, hem vriendelijk de hand toestekende; „hoe gaat het jongen?" terwijl Adolf uit het hoofd een welkomstgroet uitsprak, waarop hij reeds veertien dagen lang had gestudeerd.

Wel, wel," zeide St. Clare, met zijn gewone spottende onverschilligheid voortstappend, „dat is mooi bijeengelapt Adolf! Komaan, ga nu toezien dat de bagage op zijn plaats wordt bezorgd. Ik zal zoo meteen bij het volk

Sluiten