Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII.

TOMS MEESTERES EN HAAR GEVOELENS.

„En nu, Marie," zeide St. Clare, „beginnen je gouden dagen aan te komen. Hier nu is onze practische, werkzame nicht uit Nieuw-Engeland, die je alle zorgen en lasten van de schouders nemen zal, en je tijd en gelegenheid geven om uit te rusten en weder jong en schoon te worden. De plechtigheid van het overgeven der sleutels zou, dunkt mij, dadelijk wel kunnen geschieden."

Deze opmerking werd aan de ontbijttafel gemaakt, een paar dagen na juffrouw Ophelia's aankomst.

„Het is haar gaarne gegund," zeide Marie, terwijl zij haar hoofd flauw en zwak op haar hand liet leunen, „maar ik geloof dat zij één ding weldra zal begrijpen, indien zij er namelijk gevoelig genoeg toe is, en wel dit dat wij arme meesteressen de eigenlijke slavinnen in ons eigen huis zijn."

„Ja waarlijk, zij zal dat ondervinden, en nog een wereld van heilzame waarheden bovendien, daaraan twijfel ik niet," antwoordde St. Clare.

„Men spreekt van slavenhouden, alsof wij daardoor ons gemak bevorderen!" zeide Marie. „Ik ben overtuigd, dat wij hen allen wel konden laten gaan, als wij daarop wilden letten."

Evangeline vestigde haar groote, donkere oogen op het gelaat harer moeder met een uitdrukking, vol van ernst en kinderlijke verlegenheid, en vroeg vervolgens op eenvoudigen toon: „Waarvoor heeft u ze dan eigenlijk, mama ?"

„Ik weet het waarlijk niet, we hebben er niet anders dan last van; zij zijn de wezenlijke plaag van mijn leven.

Sluiten