Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en als een vreemde hand mij aanraakte, zou ik bijna krankzinnig worden. Indien Mammy eenig belang in mij stelde, dan zou zij gemakkelijker wakker worden. Ik heb wel eens van menschen gehoord, die zoo gelukkig waren, zulke verknochte bedienden te hebben; maar mij heeft dat voorrecht nooit te beurt mogen vallen." En Marie zuchtte bij het uitspreken van deze laatste woorden.

Juffrouw Ophelia had naar dit gesprek met scherpe, opmerkzame ernst geluisterd, en zij hield haar dunne lippen vast opeengedrukt, alsof zij besloten had geen oordeel te vellen vóór zij de toestanden door en door kende.

„Mammy bezit wel een zekere soort van goedheid," vervolgde Marie; „zij is gedwee en eerbiedig, maar toch is zij de zelfzucht in eigen persoon. En daarbij zal zij nimmer ophouden te zuchten en te kermen over haar man. Toen ik trouwde en ik hier kwam wonen, moest ik haar wel medenemen; maar mijn vader kon haar man niet missen. Hij was smid, en dus onontbeerlijk, en ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij beter deden met voor goed van elkander te scheiden, daar er toch geen hoop voor hen was, dat zy ooit weder bij elkander zouden komen. Ik wenschte wel, dat ik er toen met meer gestrengheid op aangedrongen en Mammy met een ander had laten trouwen; maar ik was te zwak en gaf toe, waar ik dit niet behoefde te doen! Ik zeide Mammvtoen, dat zij niet verwachten moest, hem meer dan eens, of twee malen in haar leven weer te zien, want de lucht van mijns vaders woonplaats deugt niet voor mijn gezondheid, zoodat ik daar niet heen kan gaan, en ik raadde haar om iemand anders te nemen; maar neen, zij wilde niet. Mammy heeft een soort van eigenzinnige koppigheid over zich, die door niemand zoozeer wordt opgemerkt als door mij."

„Heeft zij ook kinderen?" vroeg juffrouw Ophelia.

„Ja, twee."

Sluiten