Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mij dunkt, dat zij de scheiding van dezen toch diep

gevoelen moet."

„Het spreekt van zelf, dat ik die kleinen niet kon medenemen. Het waren een paar leelijke, morsige schepsels, die ik niet in mijn nabijheid dulden kon, en daarenboven zouden zij haar te veel tijd kosten; maar ik geloof dat Mammy daarover altijd eenigen wrok heeft gehouden. Zij wil geen ander tot man hebben, en ik geloof dat zij, als zij maar kon, nog heden naar haar man zou terugkeeren, ofschoon zij weet, hoezeer ik haar noodig heb. Zij zijn nu eenmaal zelfzuchtig, de besten niet uitgezonderd."

„Voorwaar een treurige eigenschap!" zeide St. Clare droog weg.

Juffrouw Ophelia zag hem scherp aan en bemerkte den blos van ergernis en onderdrukten wrevel, en den spotachtigen trek, die hem onder het spreken om de lippen speelde.

„Nu is Mammy altijd door mij vertroeteld geworden," vervolgde Marie. „Ik wilde wel dat uw noordelijke bedienden haar kasten met kleeren eens zagen; zijden en mousselinen kleedjes en een van echt linnen kamerdoek heeft zij daar hangen. Ik heb soms wel eens heele namiddagen gewerkt om een muts voor haar te maken, opdat zij maar uitgaan kon. Zij weet niet wat mishandeling is, en is op zijn hoogst eens of tweemalen in haar leven gegeeseld. Zij drinkt altijd haar sterke koffie en thee met witte suiker. Het is inderdaad al te dwaas; maar St. Clare is nu eenmaal op een voorname levenswijze voor de bedienden gesteld, en zij doen en laten alles wat hun maar in den zin komt. Waarlijk, onze bedienden worden veel te toegeeflijk behandeld; ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is, wanneer zij zoo zelfzuchtig zijn en als bedorven kinderen handelen, doch ik heb er met St. Clare reeds zoo dikwijls over gesproken, dat ik het moe ben."

Sluiten