Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En ik ook," zeide St. Clare, terwijl hij het nieuwsblad in handen nam.

Eva, de schoone Eva, had naar haar moeder staan luisteren met die uitdrukking van diepen, geheimzinnigen ernst, welke zoo eigen was aan haar karakter. Zachtjes sloop zij om den stoel harer moeder en sloeg haar armen om den hals.

„Wel Eva, wat nu?" zeide Marie.

„Zou ik u niet eens een nacht kunnen oppassen, mama? Ik weet dat ik u niet zenuwachtig maken en ook niet in slaap vallen zal. Ik lig toch dikwijls wakker te denken..."

„O, gekheid, kind, gekheid!" zeide Marie; „gij zijt zulk een zonderling kind."

„Maar mag ik, mama? Ik geloof," vervolgde zij, „dat Mammy niet wel is. Zij zeide mij onlangs, dat zij tegenwoordig altijd pijn in het hoofd had."

„Och, dat is nu juist een van Mammy's streken! Mammy is ook al evenals alle overigen; zij maakt om de minste hoofdpijn, of al heeft zij maar pijn in den vinger, zulk een geducht leven. Maar ik zal wel oppassen, dat ik haar daarin niet stijf, dat nooit! Ik handel in dit opzicht naar vaste beginselen," zeide zij, zich tot juffrouw Ophelia wendende, „en gij zult ondervinden, dat dit noodzakelijk is. Indien gij duldt, dat de bedienden aan ieder onaangenaam gevoel toegeven en over iedere kleinigheid klagen, dan zult gij de handen vol hebben. Ik zelf klaag nooit, ik gevoel dat het mijn plicht is het stil te dragen."

Juffrouw Ophelia's oogen drukten bij die woorden een onbewimpelde verbazing uit, die St. Clare zoo koddig voorkwam, dat hij in een luid gelach uitbarstte.

„St. Clare lacht altijd, wanneer ik de geringste zinspeling op mijn hoofdpijn maak," zeide Marie op den toon van een martelares. „Ik hoop, dat de dag niet spoedig komen zal, waarop hij hieraan met berouw zal terug denken." En bij deze woorden bracht zij haar zakdoekaan de oogen.

Sluiten