Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze schijnt mij een zeer goed kind te zijn," antwoordde juffrouw Ophelia; „ik moet zeggen dat ik nooit een liever kind heb gezien."

„Eva is een zonderling wezen," hernam haar moeder, „zeer zonderling, zij heeft niet het minste van mijn karakter," en Marie zuchtte, alsof dit een waarlijk zeer betreurenswaardig geval was.

Juffrouw Ophelia zeide bij zich zelve: „Dat is te hopen!" Maar zij was voorzichtig genoeg om haar gedachten niet uit te spreken.

„Eva wil altijd gaarne bij de dienstboden wezen, en ik geloof, dat dit ook niet kwaad is voor sommige kinderen. Ook ik speelde bij voorbeeld dikwijls met mijns vaders kleine negers, en het heeft mij nimmer eenige schade gedaan. Maar Eva schijnt zich daarbij te veel op gelijken voet te stellen met ieder dien zij ontmoet, en dat is een zonderlinge gewoonte van het kind. Ik heb het haar nooit kunnen afleeren en ik geloof, dat St. Clare haar er zelfs toe aanmoedigt. Het is inderdaad de waarheid, dat St. Clare jegens ieder die onder zijn dak woont toegeeflijk is, behalve jegens zijn arme vrouw."

Juffrouw Ophelia verzonk opnieuw in een diep stilzwijgen.

„Nu ken ik geen ander middel om met bedienden klaar te komen,'' zeide Marie, „dan om hen onder tucht te brengen en streng onder tucht te houden, en hen te doen gevoelen wat zij zijn. Dit is altijd zoo mijn gewoonte geweest van kindsbeen af. Eva alleen zou een geheel huis vol bedienden bederven. Ik verklaar ronduit, niet te begrijpen, hoe zij eenmaal zelve zal doen als zij een eigene huishouding heeft. Ik houd er van om altijd vriendelijk jegens de dienstboden te zijn en ik ben het zelf ook altijd; maar men moet hen ieeren gevoelen wie en wat ze zijn. Eva doet dit nimmer, en het is een onmogelijkheid om het kind maar eenigszins te doen begrijpen, welk een onderscheid er tusschen haar en een bediende is. Gij

Sluiten