Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil, geen andere slagen zullen worden uitgedeeld dan door hem of door mij, en hij doet het op een wijze, dat ik mij er waarlijk niet tegen durf verzetten. Nu, gij zult zien, waartoe dat alles leiden zal; want St. Clare zou de hand nog niet eens opheffen, al liepen ze allen ook over hem heen, en ik — gij ziet hoe wreed het zou zijn, om van mij te verwachten, dat ik mij zoo zeer inspande, en gij weet toch ook dat zulke bedienden niet meer zijn dan groote kinderen."

„Van soortgelijke dingen heb ik tot nog toe niets geweten, en ik dank er God van harte voor,' antwoordde juffrouw Ophelia kortaf.

„Nu, maar gij zult er iets van weten en dat wel ten uwen koste, indien gij eenigen tijd hier blijft. Gij begrijpt niet, welk een tergend, dom, zorgeloos, onredelijk, kinderachtig ondankbaar soort van schepselen die ellendigen zijn."

Marie scheen verwonderlijk sterk te wezen, vooral wanneer dit onderwerp ter sprake kwam, want zij opende nu haar oogen en scheen haar zwakheid geheel te vergeten.

„Gij weet niet, en kunt niet weten, hoe een huisvrouw iederen dag en ieder uur door hen geplaagd wordt. Maar of ik daarover tegen St. Clare al klaag of niet, het helpt niets. Hij heeft altijd de zonderlingste redeneeringen bij de hand. Hij zegt dat wij van hen gemaakt hebben wat zij zijn, en dat wij hen dus ook moeten verdragen. Hij verzekert, dat wij de schuld van al hun gebreken zijn, en dat het dus schande van ons zou wezen, om hen daarvoor te straffen. Hij verklaart, dat wij in hun plaats niet beter gehandeld zouden hebben, alsof wij hen met ons gelijk konden stellen, ziet gij?"

„Gelooft gij dan niet, dat de Heer hen met ons van hetzelfde vleesch en bloed heeft gemaakt?" vroeg juffrouw Ophelia eenigszins scherp.

„Neen, dat doe ik waarlijk niet! Een fraaie redeneering

Sluiten