Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

St. Clare stond op de trap en wierp haar kushandjes na, terwijl het rijtuig voortspoedde; groote tranen stonden in zijn oogen.

„O, met recht heet zij Evangeline," zeide hij zacht bij zich zeiven; „heeft God haar niet tot een Evangelie voor mij gemaakt?"

Zoo dacht en gevoelde hij eenige oogenblikken; maar weldra was alles weder vergeten.

„Je begrijpt, Evangeline," zeide haar moeder, „dat het altijd goed en betamelijk is, vriendelijk jegens dienstboden te zijn; maar het komt niet te pas om te doen, alsof zij onze bloedverwanten en vrienden zijn, of menschen, die met ons tot denzelfden stand behooren. Indien Mammy nu eens ziek werd, zou je misschien wel wenschen, dat je eigen bed voor haar werd ingeruimd, niet waar?"

„Ik geloof ja, lieve mama," zeide Eva; „want het zou dan veel gemakkelijker zijn om haar op te passen en te verzorgen, en u weet ook wel, dat mijn bed zooveel beter is dan het hare."

St. Clare en de beide dames zaten na afloop van den middagmaaltijd bij elkander en waren juist in een gesprek over de slavernij gewikkeld, toen Eva binnentrad met een bloem in haar hand.

„Welnu, kindlief, wat zeg je er van?" vroeg haar vader, zich plotseling tot haar wendende.

„Waarvan, papa?"

„Wel, wat je het meest bevallen zou, om te leven zooals bij je oom te Yermont, of om zulk een huis vol bedienden te hebben gelijk wij?"

„Wel, zooals bij ons is het immers veel aangenamer," antwoordde Eva.

Sluiten