Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu, Tom, wat scheelt er aan? Je zet zulk een vreeselijk ernstig gezicht."

„Het is mij ook niet recht goed, massa; — ik meende altijd dat massa jegens iedereen goed was."

„Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest ? Komaan, zeg het mij, wat begeer je? Is er iets niet naar je zin, en is dit de inleiding tot je verzoek?"

,Massa is altijd goed jegens mij geweest en ik heb over niets te klagen. Maar daar is toch een, jegens wien massa niet goed is."

„Wel, Tom, wat krijg je nu in 't hoofd? Spreek op, wat meen je?"

„Gister nacht tusschen een en twee uur kwam mij dat zoo in den zin. Ik heb er over nagedacht. Massa is niet goed jegens zich zeiven."

Tom zeide dat met den rug naar zijn meester gekeerd en met de hand aan de kruk van de deur geslagen. St. Clare voelde, dat het gelaat hem bloedrood werd, maar hij lachte.

„O, is dat alles?" riep hij vroolijk uit.

„Alles!" herhaalde Tom, zich plotseling omkeerende en zich op zijn knieën werpende. „Och, mijn dierbare jonge meester, ik vrees, dat zoo alles, lichaam en ziel, verloren zal gaan. Het Boek zegt: „Het bijt gelijk een slang en steekt als een adder," massa."

Toms stem beefde en de tranen liepen hem langs de wangen.

„Gij arme, onnoozele kerel," zeide St. Clare, terwijl ook hem de oogen vol tranen kwamen; „sta op, Tom, ik ben niot waard, dat je om mij schreit."

Maar Tom stond niet op — hij bleef ootmoedig in zijn smeekende houding liggen.

„Nu, het zal mij niet weder gebeuren, Tom," zeide St. Clare; „waarlijk niet, en, geloof mij, ik weet niet waarom ik al sedert lang niet met zulk een levenswijze heb opgehouden. Ik heb die altijd veracht en mij zei ven ook,

Sluiten