Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar, St. Clare, je kunt je niet verbeelden, in welken toestand ik alles heb gevonden!"

„Zoudt ge denken? Meent ge dat ik niet weet, dat de rolstok onder het bed ligt, en dat zij de muskaatrasp in haar zak bij de tabak draagt; dat er meer dan vijftig verschillende suikerpotten zijn, waarvan in iederen hoek van het huis een te vinden is; dat zij van daag de schotels met een tafelservet wascht, en morgen misschien met een stuk van een ouden onderrok? Maar het is en blijft toch waar, dat zij uitmuntend kookt en overheerlijke koffie zet, en je moet haar beoordeelen gelijk men het zoovele andere en veel voornamer menschen doet, namelijk naar den uitslag van haar werk."

„Maar al die noodelooze verkwisting en al die kosten...!"

„Nu ja, dat is zoo. Zie zooveel mogelijk op alles toe en draag de sleutels in je zak. Geef altijd afgepast geld, en vraag verder naar niets. Dit zal wel het beste zijn."

„Maar er is meer dat mij verontrust, Augustinus! Ik kan het maar niet gelooven dat die bedienden strikt eerlijk zijn. Ben je wel zeker, dat men op hen vertrouwen kan ?"

Augustinus lachte hartelijk over het ernstige en bezorgde gelaat, waarmede zijn nicht deze vraag deed.

„O, nicht, dat ware al te veel! Eerlijk! ha, ha! alsof men zoo iets van hen zou kunnen verwachten! Wel neen, natuurlijk zijn zij dat niet, en waarom zouden zij het ook wezen? Wie in de wereld zou hen dat maken?"

„Maar waarom onderricht gij hen dan niet?"

„Onderrichten? Nu nog fraaier! Welk onderricht denkt ge dan dat ik hun zoo al geven zou? Wel, daar zie ik ook al naar uit! Marie, ja, die is bij de hand genoeg om een heele plantage uit te roeien, wanneer ik haar naar willekeur liet handelen; maar toch zou zij dien geest van bedriegerij er niet uit krijgen."

„Zijn er dan geen eerlijken onder hen?"

„Ja, zoo nu en dan een enkele, dien de natuur zoo

Sluiten