Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Eq zij tellen mijn geld en mijn kaartjes, als ik weer thuis kom, om te zien of 't uitkomt, en is dat zoo niet, dan slaan ze me half dood."

„En dat verdien je ook," zeide Jane, de verwaande kamermeid; „als je hun het geld ontneemt om er je dronken voor te drinken. Ja, dat doet zij, juffrouw," vervolgde zij, zich tot Ophelia wendende.

„En dat wil ik doen; ik kan anders niet leven, ik moet mij bedrinken en daardoor mijn ellende vergeten."

„Je handelt goddeloos en dwaas," zeide juffrouw Ophelia, „om je meester geld te ontstelen, en je zelf aan een beest gelijk te maken."

„Dat kan wel juffrouw, maar ik wil het daarom toch doen, ja, ik wil het doen," antwoordde de vrouw. En langzaam stond het arme oude schepsel op en zette de mand weer op het hoofd; maar eer zij de keuken verliet, wendde zij zich nog eerst tot het meisje, dat het meest met haar gesproken had en nog altijd met haar oorringen stond te spelen.

„Je meent," duwde zij haar toe, dat je nu machtig mooi en knap zijt, en met trots op ieder moogt nederzien. Nu ga je gang maar; je zult misschien nog een even ouden veracht schepsel worden als ik. Ik hoop dat dit gebeuren zal, ja, waarachtig, ik hoop het," en met een boosaardigen lach ging de vrouw heen.

Onze vriend Tom, die gedurende dit gesprek in de keuken was geweest, volgde haar naar buiten op den weg. Hij zag haar voortgaan telkens zwaar zuchtend. Eindelijk zette zij haar mand op den grond neder, en begon den ouden, versleten doek terecht te schuiven, die haar haren bedekte.

„Ik zal de mand een eind wegs voor je dragen," zeide Tom op medelijdenden toon.

„Waarom wil je dat doen?" vroeg de vrouw. „Ik heb je hulp niet noodig."

Sluiten