Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je schijnt ziek te zijn, of aan iets anders te lijden," zeide Tom.

„Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.

„Ik wenschte," vervolgde Tom, terwijl hij haar ernstig aanzag, „dat je dat drinken kondt laten. Weet je niet, dat je daardoor je lichaam en ziel beide verderft?"

„Dat weet ik wel," zeide de vrouw morrend. „Je behoeft mij dat niet te vertellen."

„Och, God de Heer ontferme zich over je! Heb je nooit over Jezus Christus gehoord?"

„Jezus Christus — wie is dat?"

„Hij is de Heer," zeide Tom.

„Ik geloof, dat ik van den Heer en van het oordeel en van de straften heb hooren spreken. Ja, ik heb van dat alles wei eens gehoord."

„Maar heeft nog nooit iemand met je gesproken van den Heer Jezus, die ons, arme zondaars, zoo liefhad en zelfs voor ons stierf?"

„Daarvan weet ik niets," zeide de vrouw: „niemand heeft mij nog ooit liefgehad, sedert mijn goede man stierf."

„Hoe ben je toch aan die treurige gewoonte gekomen van je te bedrinken?"

„Ik deed het om van mijn ellende verlost te worden. Ik had een kind — het was een allerliefste jongen, en missis scheen in het eerst veel van hem te houden; hij schreide ook nooit, en zag er frisch en gezond uit! Maar missis werd ziek, en ik paste haar op, en ik kreeg de koorts; toen kermde en schreide het kind en riep dag en nacht om mij; en het werd zoo mager, dat het niet meer was dan vel en been, waardoor missis verdrietig werd en er een hekel aan kreeg en zeide, dat het een koppige jongen was. Zij wenschte dat hij dood was, zeide zij, en zij wilde niet hebben, dat ik hem 's nachts bij mij nam, omdat ik dan wakker bleef en 's morgens tot niets geschikt was. Zij liet mij in haar kamer slapen, en ik moest mijn kind

Sluiten