Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een akelig hol laten liggen, waar het zich eens op een nacht dood schreide. Toen ben ik begonnen te drinken, om dat schreien niet langer in mijn ooren te hebben. Dat deed ik, en dat wil ik doen."

„Och, arm, arm schepsel!" zeide Tom zuchtende; „heeft niemand je gezegd, hoe de Heer Jezus je beminde en ook voor je stierf? Hebben ze je niet gezegd, dat Hij je wil helpen, en dat je in den hemel kunt komen en daar eindelijk rust vinden?"

Tom wendde zich om, nadat hij deze woorden had gesproken, en keerde met een bezwaard gemoed naar huis terug. Op het plein ontmoette hij de kleine Eva met een krans van tuberozen op het hoofd en met oogen, die van vreugde straalden.

„O, Tom, ben je daar?" riep zij hem tegemoet, terwijl zij hem bij de hand vatte. „Papa zegt, dat je de hitten moogt inspannen en met mij uit rijden gaan. Maar wat deert je, Tom? Je ziet er zoo bedrukt uit."

„Ja, ik ben bedroefd, jongejuffrouw Eva," zeide Tom. „Maar ik zal heengaan en de paarden voor u halen."

„Maar zeg mij dan toch wat er aan scheelt, Tom. Ik zag dat je daareven met de oude, grommige Prue stond te praten."

Tom verhaalde haar toen op een eenvoudige, maar ernstige wijze de geschiedenis der arme vrouw. Eva liet geen uitroepen hooren, en toonde ook geen verwondering en weende niet, gelijk andere kinderen zouden hebben gedaan; maar haar wangen werden bleek, en een diepe, ernstige schaduw vertoonde zich over haar gelaat. Zij legde beide handen op de borst en loosde een zware zucht.

Sluiten