Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen vroeg juffrouw Ophelia. „Het is verschrikkelijk, meer dan schandelijk, Augustinus! Het zal wraak over je brengen."

„Maar, lieve nicht, ik heb het immers niet gedaan, en ik kan het niet helpen; ik wilde dat ik er raad voor wist. Wanneer laaghartige, gemeene schepsels zoo handelen, zonder zich om iets te bekreunen, wat kan ik er tegen doen? Zij hebben een onbepaalde macht; zij zijn dwingelanden, die geen verantwoording van hun daden geven. Het zou mij niets baten of ik tusschenbeide kwam; er is geen wet, die in zoodanige gevallen bizondere voorschriften geeft. Het beste wat wij doen kunnen, is onze oogen en ooren te sluiten en de zaak haar gang te laten gaan; dat is waarlijk het eenige wat ons overblijft."

Nu volgde er een zeer lang gesprek, waarin St. Clare zijn groote ontvredenheid met geheel het heerschende stelsel ronduit te kennen gaf.

„En toch," merkte juffrouw Ophelia aan, „begunstig je dat stelsel door zelf ook slaven te houden?"

„Wel nicht, antwoordde St. Clare, „dat zal ik je spoedig uitleggen. Mijn slaven waren het eigendom van mijn vader, en, wat nog meer zegt, van mijn moeder, en nu zijn zij het mijne, zij en hun nakomelingen, wat zeker ook al geen onbeduidende kleinigheid is. Mijn vader, dit weet je, kwam eerst uit Nieuw-Engeland en was juist zulk een man als jou vader, een echte Romein van den ouden stempel, oprecht, krachtig, met een edel hart en een ijzeren wil. Je vader zette zich in Nieuw-Engeland neder, 4 om over rotsen en steenen te heerschen en een nieuwe natuur in het leven te roepen; de mijne ging naar Louisiana, om over mannen en vrouwen te gebieden en hen tot een redelijk aanzijn te vormen. Mijn moeder," vervolgde St. Clare, terwijl hij opstond en naar een schilderij toetrad, die aan de andere zijde van het vertrek hing, en die hij met een oog van innigen eerbied aanstaarde, „zij

OOM TOM. 9

Sluiten