Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menigte wreedheden, en wij wenschten ons zeiven geluk, omdat wij veel goeds mochten doen, totdat wij in onzen ijver te ver gingen. Stubbs, zoo heette de opziener, beklaagde zich bij mijn vader, dat hij de orde niet langer kon handhaven en van zijn betrekking afstand moest doen. Mijn vader was een teeder inschikkelijk echtgenoot, maar die nooit afzag van iets, dat hij als noodzakelijk beschouwde, en derhalve verklaarde hij aan mijn moeder op een zachten en vriendelijken, maar tevens beslisten toon, dat zij onbepaalde meesteres over de bedienden binnenshuis was, maar dat zij zich hoegenaamd niet mocht bemoeien met de overigen, die op het veld werkten.

„Ik hoorde mijn moeder later dikwijls met hem over de zaak spreken en merkte op, hoezeer zij zich beijverde om hem tot haar gevoelens over te halen. Hij luisterde met de grootste beleefdheid en inschikkelijkheid naar haar woorden. „Alles," placht hij dan te zeggen, „ligt in deze eene vraag opgesloten: moet ik Stubbs houden of hem laten gaan ? Stubbs is de nauwgezetheid zelve; hij is eerlijk en werkzaam, en daarenboven is hij zoo menschelijk, als men van iemand in zijn stand kan verwachten. Wij kunnen nimmer hier op aarde volmaaktheid verwachten, en indien ik hem behoud, dan moet ik hem het bestuur van het geheel opdragen, zelfs ook dan, wanneer er soms gevallen mochten voorkomen, die een uitzondering op den regel maken. Aan alle soort van bestuur is een zekere mate van hardvochtigheid verbonden. Algemeene regels kunnen in bizondere gevallen zwaar drukken, dat is niet te ontkennen, maar zijn niet te verhelpen." Deze laatste regel scheen bij mijn vader afdoende te zijn, ook wanneer de grootste wreedheden werden gepleegd. Na op zulk een wijze gesproken te hebben, trok mijn vader gewoonlijk zijn voeten op de sofa, als iemand, die zijn taak heeft afgedaan, en ging over tot het lezen van zijn courant of tot een middagslaapje, al naardat zijn hart

Sluiten