Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij met elkander zouden overeenkomen. Ik geloof niet, dat er edelmoediger, eerlijker mensch leeft dan mijn broeder Alfred, zoover dat namelijk zijns gelijken betreft, en alzoo ging het verwonderlijk vreedzaam toe met de verdeeling van mijns vaders nalatenschap; geen enkel onbroederlijk woord of gevoel werd daarbij geopenbaard. Wij namen te zamen de zorg voor de plantage op ons, en Alfred, die, zoowel wat zijn krachten als zijn bekwaamheden aanging, mij verreweg overtrof, werd een ijverig planter en was verwonderlijk voorspoedig.

„Maar een tweejarige proefneming overtuigde mij, dat ik geen deelgenoot in die zaak kon blijven. Een troep van zevenhonderd slaven te hebben, die ik onmogelijk alle persoonlijk kon kennen of in welke ik eenig bizonder belang kon stellen; die ik gekocht en verkocht, gehuisvest en verdreven zag, gevoed en tot werken aangezet als zooveel redelooze dieren, en met militaire strengheid geregeerd ; de vraag hoe weinig van het genot des gewonen levens hen tot werken aanspoorde, die als een telkens terugkeerend raadsel bij mij opkwam; de onvermijdelijke noodzakelijkheid om slavendrijvers en opzieners te houden; de even onvermijdelijke geeselroeden — het eerste en eenig dwangmiddel — dat alles boezemde mij een onoverwinnelijken afkeer in, en als ik dan naging hoe mijne moeder dacht over elk menschelijk wezen, van welken rang ook, dan werd het leven, dat ik leidde, mij ten eenenmale onverdragelijk."

„En toen," vroeg juffrouw Ophelia, „liet ge het plantersleven varen?"

„Ja! Wij sukkelden zoo eenigen tijd voort, totdat Alfred ten laatste ook begon in te zien, dat ik er niet in het minst voor geschikt was.

Het kwam hem, nadat hij zooveel hervormd, veranderd en verbeterd had, ten hoogste dwaas van mij voor, dat ik nog altijd ontevreden was; om kort te gaan, ik haatte

Sluiten