Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn toestand; ik verafschuwde het gebruik van al die mannen en vrouwen, het laten voortduren van onwetendheid, ruwheid en zonde, en dat alles om geld voor mij te verdienen.

„Daarenboven moest ik altijd met mijn invloed tusschen beiden komen. Zelf een der luiste menschen zijnde, koesterde ik veel medegevoel voor de luiaards, en wanneer die arme, domooren steenen op den bodem hunner manden deden, om die zooveel te zwaarder te doen wegen of hun zakken met afval en vuiligheid vulden, met een weinig katoen boven op, dan dacht ik, dat ik in alles evenzoo handelen zou, indien ik mij in hun plaats bevond, en ik kon en wilde dus niet dulden, dat zij daarom gegeeseld werden. Maar daardoor ging het slecht met orde en tucht op de plantage, en zoo kwamen Alfred en ik weldra tot hetzelfde punt, als voor jaren tusschen mij en mijn vader het geval was geweest. Hij verklaarde mij, dat ik niet de minste geschiktheid had om een zaak te besturen, en ried mij derhalve aan, in het vaderlijk huis te NewOrleans stil te gaan leven en aan hem het bestuur der plantage over te laten. Zoo scheidden wij, en ik kwam hier."

„En waarom gaf je toen je slaven dan de vrijheid niet?"

„Wel ik was daartoe niet in staat, en er ook niet op bedacht. Als middel om geld te verdienen, wilde ik hen niet houden; maar als middel om geld te verspillen, ziet ge, dat kwam mij zoo slecht niet voor. Sommigen hunner waren oude huisbedienden, aan wie ik was gehecht, en de jongeren, nu, die waren immers de kinderen van de meer bejaarden. Allen waren tevreden zooals zij het hadden ..., maar daar roept ons de bel voor de theetafel — laat ons dus gaan en zeg niet weer, dat ik nog nooit van mijn leven een ernstig gesprek heb gevoerd."

Marie maakte aan tafel gewag van het treurig geval met Prue. „Mij dunkt, nicht," zeide zij, „dat gij ons allen wel als barbaren zult beschouwen."

Sluiten