Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik beschouw het in elk geval als een barbaarsche daad," antwoordde juffrouw Ophelia, „zonder u allen daarvan echter de schuld te geven."

„Welnu, geloof mij," hernam Marie, „ik weet dat het onmogelijk is, met sommigen van hen huis te houden. Zij zijn soms zoo slecht, dat ze het leven niet waard zijn en ik heb dus in zulke gevallen ook niet het minste medelijden met hen. Indien zij zich slechts behoorlijk wilden gedragen, dan zouden zulke dingen niet gebeuren."

„Maar mama," viel Eva haar in de rede, „het arme schepsel was zoo ongelukkig, en daardoor is zij aan den drank geraakt."

„O, gekheid, een ellendige verschooning, inderdaad! Ik ben ook dikwijls ongelukkig. Ik geloof," vervolgde zij nadenkend, „dat ik van mijn leven meer heb ondervonden dan zij ooit heeft doorstaan. Het komt alleen omdat zij zoo slecht zijn; van niets anders. Er zijn sommigen onder hen, die men door geenerlei gestrengheid kan regeeren. Ik herinner het mij nog dat mijn vader een man had, die zoo lui was, dat hij wegliep, alleen maar om van het werk af te komen, en die zich in de moerassen verborg, en daarna stal en allerlei slechte dingen uitvoerde. Hij werd weder opgepakt en gegeeseld, niet ééns, maar herhaalde malen; doch het baatte nooit iets, en eindelijk kroop hij weg, ofschoon hij bijna niet loopen kon, en stierf in het moeras. En toch had hij geen reden tot klagen, want mijn vader was een zachtaardig en vriendelijk man."

„En ik heb eens een man getemd," zeide St. Clare; „een man, bij wien alle meesters en opzichters hun pogingen te vergeefs hadden aangewend."

„Gij!" riep zijne vrouw verwonderd uit; „nu ik wil wel eens weten wat gij ooit van dien aard hebt gedaan!"

„Het was een sterke, reusachtige vent," hernam St. Clare, „een geboren Afrikaan, die een ongewone hoeveelheid vrijheidszucht in zich scheen om te dragen. Hij was letter-

Sluiten