Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk een Afrikaansche leeuw; men noemde hem Scipio.

Niemand kon iets met hem aanvangen, zoodat hij van den eenen opzichter aan den anderen werd verkocht, totdat hij eindelijk het eigendom van Alfred werd, daar deze hem wel meende te kunnen temmen. Nu sloeg hij op zekeren dag den opzichter dood, en dadelijk daarna was hij in de moerassen. Ik legde juist een bezoek op Alfreds plantage af, want het voorval had plaats nadat wij van elkander waren gescheiden. Alfred was woedend, maar ik zeide hem, dat het zijn eigen schuld was, en dat ik een weddenschap met hem durfde aangaan, dat ik den man zou weten te temmen, zoodat wij eindelijk overeenkwamen, dat ik, indien wij hem mochten vangen, de proef met hem zou nemen. Zoo werd er dan een partij van zes of zeven personen, van wapens en honden voorzien, gevormd, om jacht op hem te maken. Gij weet, dat er sommige lieden zijn, die even gaarne jacht op een mensch als op een hert maken, indien het voorkomt, ik zelf was inderdaad ook een weinig opgewonden, ofschoon ik er maar deel aan nam als een soort van bemiddelaar, ingeval hij gevangengenomen werd.

„Nu, de honden blaften en huilden, wij reden en draafden heen en weer, en eindelijk ontdekten wij hem. Hij liep en sprong als een stier, en hield ons gedurende eenigen tijd op behoorlijken afstand; maar eindelijk raakte hij in een ondoordringbaar rietbosch vast, waarop hij begon te brullen en zich dapper tegen de honden verweerde. Hij smeet ze rechts en links en doodde er drie alleen met zijn vuisten, totdat hem een geweerschot trof en hij gewond en bloedend bijna vlak voor mijn voeten neerviel. De ongelukkige zag mij aan met oogen, waaruit mannelijke dapperheid en wanhoop tevens spraken. Ik hield de honden en mannen terug, toen zij kwamen aanzetten, en eischte, dat hij als gevangene aan mij zou worden overgegeven. Dit was alles wat ik kon doen, om

Sluiten