Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind zag haar verward aan, maar grijnsde als gewoonlijk.

„Weet je wie je geschapen heeft?"

„Ik weet het niet — niemand," antwoordde het kind luidkeels lachende.

Dit laatste denkbeeld scheen haar al zeer vermakelijk voor te komen, want zij knipoogde en vervolgde:

„Ik geloof, ik ben gegroeid. Ik geloof niet, dat iemand mij geschapen heeft."

„Kan je ook naaien?" vroeg juffrouw Ophelia, die het noodig oordeelde over een meer alledaagsch onderwerp te spreken.

„Neen, missis."

„Wat kan je dan doen, en wat deed je totnogtoe voor je meester en je meesteres?"

„Water halen en schotels wasschen, en messen slijpen en de menschen bedienen."

„Waren ze goed voor je?"

„Ik geloof het wel," antwoordde het kind, juffrouw Ophelia met een listigen blik van ter zijde aanziende.

Juffrouw Ophelia stond na deze zoo ontmoedigende samenspraak op; St. Clare leunde over den rug van haar stoel.

„Gij vindt daar een onbewerkten grond, nicht! zaai er je eigen denkbeelden in: je zult er niet vele vinden om uit te roeien."

Juffrouw Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren evenals die over alle andere zaken, zeer bepaald en afgemeten, en van die soort, die een eeuw geleden in NieuwEngeland heerschten en daar in sommige afgelegen oorden nog bewaard zijn gebleven, waar zich de invloed der spoorwegen en vele andere nieuwe uitvindingen niet heeft doen gevoelen. Die denkbeelden en stellingen konden in zeer weinige woorden saamgevat worden: de hoofdopvoeding bestond, in de kinderen te leeren oplettend te zijn wan-

Sluiten