Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toen onze eerste ouders aan de vrijheid van hun eigen •wil werden overgelaten, verlieten zij den staat, in welken zij geschapen waren."

Topsy knipte met de oogen en zag haar onderwijzeres vragend aan.

„Wat is het, Topsy?" vroeg juffrouw Ophelia.

„Was dat de staat Kentucky?"

„Welke staat bedoel je?"

„Den staat, welken zij verlieten. Ik hoorde mijn meester, zeggen, dat wij van Kentucky gekomen waren."

St. Clare lachte.

„Je zult haar een goede uitlegging moeten ge^en, of zij zal er zelf een maken," zeide hij.

„O, Augustinus, zwijg toch," bad juffrouw Ophelia; „hoe kan ik iets doen, wanneer je altijd zoo lacht?"

„Nu, op mijn woord, ik zal je niet weder in je onderwijs storen," zeide St. Clare, die met zijn courant naar de voorkamer ging, waar hij bleef, totdat Topsy haar lessen had opgezegd. Deze waren alle tamelijk goed afgeloopen, behalve dat zij nu en dan eenige belangrijke woorden op een koddige wijze verdraaide, of, in weerwil van alle terechtwijzing, bij haar vergissing bleef volharden; en St. Clare vond, niettegenstaande al zijn beloften om zich goed te houden, een ondeugend vermaak in die fouten, waarom hij Topsy bij zich riep om ze nog eens te herhalen, ofschoon juffrouw Ophelia zich daartegen met alle kracht verzette.

„Hoe kan je verwachten, dat ik iets van het kind zal maken, indien je zoo voortgaat Augustinus ?" zuchtte zij dan.

„Ja, 't is slecht van mij gehandeld, ik zal het niet meer doen; maar waarlijk, ik hoor het kleine schepsel zoo gaarne met die leelijke woorden omhaspelen."

„Maar je stijft haar op die wijze in het kwade Augustinus!"

„Nu, wat kan het schelen? Het eene woord is voor haar toch even goed en kwaad als het andere."

Sluiten