Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de Kentuckische hoeve, en zien wat er zoo al gebeurd is bij hen, die hij daar heeft achtergelaten.

Het was laat op een zomernamiddag, en de deuren en vensters van het groote huis stonden alle open, om aan elk frisch en verkoelend windje den vrijen toegang te verschaffen. De heer Shelby zat in een ruime galerij, die naar de kamer leidde, en langs de geheele lengte van het huis naar een veranda aan de achterzijde liep. Achterover leunend in zijn stoel en met de beenen op een andere uitgestrekt, rookte hij op zijn gemak zijn namiddagsigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur en hield zich met eenig fijn naaiwerk bezig; haar voorkomen was dat van iemand die iets op het hart heeft en dat zij gaarne bij de eerste gelegenheid de beste wenscht te openbaren.

„Weet je wel," vroeg zij eindelijk aan haar echtgenoot, „dat Chloé een brief van haar man heeft gekregen?"

„Zoo? Waarlijk? Het schijnt dan dat Tom den een of anderen goeden vriend heeft. Hoe gaat het met den ouden jongen ?"

„Ik geloof dat hij door een zeer voorname en goede familie is gekocht geworden," antwoordde mevrouw Shelby; „hij wordt er vriendelijk behandeld en heeft er weinig werk te doen."

„Komaan, daar ben ik blijde, zeer blijde om," zeide de heer Shelby op hartelijken toon. „Tom zal zich, dunkt mij, weldra met zijn verblijf in het Zuiden verzoenen en er ook niet naar verlangen om weder hier te komen."

„Integendeel, hij vraagt zeer bepaald, wanneer het geld bij elkaar zal zijn gebracht om hem terug te kunnen koopen," merkte zijn vrouw aan.

„Ja, ik weet waarlijk niet wanneer daartoe kans zal zijn. Wanneer de zaken eenmaal verkeerd gaan, dan schijnt er geen eind aan te komen. Het is alsof men van het eene moeras in het andere springt; het is van den eenen leenen om aan den ander te betalen, en dan weder-

Sluiten