Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Tom," riep Eva, plotseling stilhoudende en met den vinger naar het meer wijzende uit, „zie daar is zij!"

„Wat, jongejuffrouw Eva?"

„Zie je ze niet, daar voor je?" zeide het kind, naar het glasachtige water wijzende, dat in zijn kabbelende golven den gouden gloed der lucht weerkaatste. „Zie, dat is een glazen zee, met vuur gemengd!"

„Waarlijk waar, jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom, terwijl hij onwillekeurig aanhief:

O, konde ik vrij de wieken spreiden,

'k Nam de vlucht naar Kanaans kust;

Gods engelen zouden mij geleiden Naar 't nieuw verblijf van vrede en rust.

„Waar denk je dat het Nieuwe Jeruzalem is, Tom?" vroeg Eva.

„O, daarboven in de wolken, jongejuffrouw Eva," was zijn antwoord.

„Nu, dan geloof ik het te zien," hernam Eva. „Kijk maar eens in die wolken! Zij gelijken naar groote, van paarlen en edelgesteenten gebouwde poorten, waar je doorheen kunt zien, verre, verre weg, waar alles goud is! Kom, Tom, zing dat vers van de heilige geestenscharen."

En Tom zong de woorden van dan welbekenden lofzang:

'k Zie reeds de heilige geestenscharen ln zalig koor vereenigd daar;

Zij roeren blij de zilv'ren snaren,

Een zegepalm omkranst hun haar.

„Oom Tom, ik heb hen gezien !" riep Eva uit.

Tom twijfelde daaraan niet in het minste, en hij scheen er zich zelfs niet eens over te verwonderen. Indien Eva hem had gezegd, dat zij in den Hemel was

Sluiten